De plaats van het Landschap in de Fonds benadering van natuurinclusieve landbouw

De plaats van het Landschap in de Fonds benadering van natuurinclusieve landbouw

Het Fonds onderscheidt landschapselementen met variatie in het gebruik van de gronden.

Voordat we aan een beschrijving van het gebruik van de gronden toekomen aandacht voor een aantal doelen en waarden van het Fonds die in dit kader in het spel komen.

In de transitie naar natuurinclusieve landbouw gaan de Streekboerderijen van een controle model naar een adaptie model [lees meer en een plaatje over adaptie model].

Kernmerk van een controle model is dat er intensief in het bodemleven wordt ingegrepen. Zo kan controle gehouden worden op een zo hoog mogelijke opbrengst/oogst per hectare. Het ingrijpen in het bodemleven bestaat uit bijvoorbeeld jaarlijkse grondbewerking, intensief bemesten en het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Dat levert een verarming in de zin van biodiversiteit op.

In het adaptie model wordt ruimte te geven aan een zo groot mogelijke biodiversiteit onder de grond (in de bodem) en bovengronds (geen monoculturen en een rijk en divers dierenleven). Daarmee ontstaat er grotere natuurlijk stabiliteit en minder intensief ingrijpen. Tegelijkertijd leidt dat gaandeweg tot een productie die tenminste het niveau van de monoculturen halen.

Zo wordt er maximaal gebruik gemaakt van het zelfregulerend vermogen van de natuur met een diverser, gezonder en veiliger voedselproductie.

Terug naar het Landschap. De gronden waarover streekboerderijen beschikken worden ingedeeld in landschapselementen. Kenmerkend is de intensiteit van menselijk ingrijpen. In de uitgangssituatie heeft elk landschapselement een zekere opbrengst uitgedrukt in tonnen droge stof per hectare. Droge stof is bijvoorbeeld gedroogd gras, of houtsnippers.

Op de Maashorst voert de Streekboer nulmetingen uit en definieert landschapselementen met een inschatting van potentiële droge-stof productie. De totale droge-stof productie op een streekboerderij is belangrijk bij het zoeken naar evenwicht tussen teelten en dierhouderij.

We beginnen bij ‘natuur” (die er in Nederland niet meer is). Terreinbeheerders en natuurinclusieve boeren streven naar instandhouding van natuurlijk landschap. Dat wil zeggen een landschap waar omwonenden en recreanten een natuurbeleving bij hebben.

Het menselijk ingrijpen is extensief en indirect; d.w.z. gericht op versterking van kringlopen en evenwicht. Er zijn geen kosten van externe inputs (milieubelasting door aanvoer van bijvoorbeeld mest in vrachtauto’s) noch zijn er externe kosten die niet geïnternaliseerd zijn (bijvoorbeeld de kosten van vervuild grondwater).

Bij natuurinclusieve landbouw nemen variatie en benutting van het landschap toe en wordt een gevarieerd voedselpakket geproduceerd.

Waar bestaat dan het ingrijpen in het bodemleven door de Streekboer dan uit?

Een mooi voorbeeld is het planten van meerjarige gewassen die diep wortelen en samen met het gebruik van compost een grotere biodiversiteit in de bodem teweegbrengt. In dit landschapselement is de opbrengst van droge stof per hectare het grootste. De mate waarin wordt ingegrepen is veel minder dan bij intensieve traditionele landbouw maar meer dan in een Natuurlijk landschap.



Kenniscluster(s) in deze publicatie

Kringlopen.

Invalshoek(en) in deze publicatie

Natuurlijk landschap.